Parasha 14 Ik ben verschenen   Va'era.

Lezen Exodus 6:2-9:35; Ezechiël 28:25-29:21; Romeinen 9:14-33 (of Openbaring 16:1-21)

Terwijl het volk steeds meer leed onder het juk van de slavernij, was Jahweh, de Regisseur, begonnen met Zijn verlossingsplan. Of is Hij in deze Parasha meer dan een Regisseur, op de achtergrond. Hij had zich geopenbaard aan Mozes, met die eeuwige Naam: JAHWEH, Ik ben die Ik ben, Ik zal er altijd zijn…

Mozes en Aäron waren éénmaal bij de Farao geweest. Nu, in deze Parasha, zullen ze vaker naar hem toegaan. Plagen, oordelen komen. Hij is verschenen en zal verschijnen!

We gaan ontdekken wat deze bekende hoofdstukken ons zullen openbaren.

Exodus 6:2 De Parasha start met de gedachte: Ik ben aan Abraham, Jakob en Isaak verschenen als de Almachtige, maar niet als Jahweh. Naar mijn mening een verwijzing naar de ontmoeting met Mozes bij de braamstruik en een opstapje vanaf nu zal Ik verschijnen.

Exodus 6:3-5  De HERE verschijnt vanwege de klacht die Israël heeft uitgeroepen in het kader van Zijn verbond. Ook moet Mozes tegen de Israëlieten zeggen: Ik ben Jahweh. Voor hen zal dat betekenen: Ik zal hen uitleiden, redden, verlossen en aannemen tot één volk. Bij de sedermaaltijd komen deze woorden in relatie met de bekers wijn terug.

Waar Hij verschijnt gebeurt zoveel. Hij zal Israël terugbrengen naar het land. Hij doet geweldige dingen, maar voor Zijn tegenstander is het verhaal heel anders. Oordeel.

Exodus 6:8 Mozes brengt de woorden over naar het volk. Maar zij luisteren niet, ze zijn ongeduldig en/of moedeloos.

Exodus 6:13-25 Mozes en Aäron gaan verder met hun opdracht. Vermoedelijk om die reden (ze komen nadrukkelijk in beeld, zodat het goed is hun herkomst te weten) wordt een geslachtregister vermeld. Dan blijk Amran de vader van Mozes te zijn en Jokebed de moeder. Ook de zonen van Aäron worden genoemd. Later, als zij als priester moeten gaan dienen, spelen zij een opvallende rol.

Exodus 7:1-6 Mozes zal als God voor de Farao worden gesteld. Hoe moeten we dat zien? Zonder bevestiging of naslag denk ik daarbij het volgende: Mozes moet representatief voor God zijn. Daarvoor heeft hij het gezag van God ontvangen.

Exodus 7:7 Mozes is 80 jaar en Aäron is 83 jaar. Daar gaan ze voor de tweede maal naar de Farao. Ze krijgen nog mee dat ze een wonderteken zullen doen, om hun woorden te ondersteunen. De staf wordt een slang. Ook de dienaren, geleerden kunnen dit. Echter de slang ‘van’ Aäron eet ze allemaal op. De Farao verhardde zich.

Exodus 7:14-25 De eerste plaag, water in bloed.  Farao is onvermurwbaar, als hij hoort dat hij het volk moet laten gaan om Jahweh te dienen. Aäron pakt de staf en strekt de staf uit naar de Nijl en al het water, waar ook in Egypte wordt bloed. Hij laat zien: Ik ben de HERE. Ik ben verschenen. De dienaren kunnen dit wonder echter ook verrichten.

Exodus 8:1-15 De tweede plaag, kikvorsen. Ik heb dit niet als parate kennis, maar elke plaag is een oordeel over een Egyptische god. De keus van de plagen is niet zomaar. Mozes verzoekt Farao opnieuw: Laat mijn volk gaan, om Mij te dienen. Niet langer meer dienen als slaaf voor Farao, maar Hem dienen. Kikvorsen komen op en bedekken het land Egypte. Ook de geleerden kunnen ze laten opkomen. Farao’s hart is niet te vermurwen, hij luistert niet, maar wil dat Mozes voor hem bidt. Dat doet Mozes.

Exodus 8:16-19 De derde plaag, muggen. Nu wordt er geen melding van een ontmoeting genoemd. De volgende plaag. Vanuit het stof van de aarde komen de muggen, deze keer konden de geleerden het niet. Zij noemen het ‘Gods vinger’. Toch een mooie erkenning!

Exodus 8:20-32 De vierde plaag, steekvliegen. Mozes krijgt van God de opdracht om de Farao bij de Nijl te ontmoeten. Hij gaat en herhaalt: Laat mijn volk gaan, om Mij te dienen. Anders komen er steekvliegen, maar de plek waar de Israëlieten wonen, Gosen, zal vrij blijven van de vliegen. Stap voor stap zet Hij de zaak op scherp: bescherming van Zijn volk, bevrijding van Zijn volk en aan de andere kant: plagen, oordelen die steeds intenser en persoonlijker worden.

Farao lijkt iets toe te geven. Ze mogen hier offers brengen. Mozes geeft aan: “Nee, wij willen 3 dagen de woestijn intrekken”. Farao geeft aan akkoord te gaan, maar blijft vragen om gebed. De muggen zullen erg lastig zijn. Uiteindelijk blijft zijn hart onvermurwbaar.

Exodus 9:1-7 De vijfde plaag, veepest. Een zeer zware veepest komt in het land, want Farao blijft weigeren. Al het vee stier, behalve van de Israëlieten. Nadrukkelijk wordt genoemd: De HERE stelt een bepaalde tijd. “Morgen gaat het gebeuren”.

Exodus 9:8-12 De zesde plaag, zweren Mozes en Aäron moeten met hun handen roet uit de smeltoven halen en het in de lucht werpen. Het gevolg is dat bij mens en dier er zweren komen. Ook de geleerden worden getroffen. Farao: hij weigert, de HERE verhardde zijn hart.

Exodus 9:13-35 De zevende plaag, hagel. Vroeg in de morgen gaan Mozes en Aäron weer naar de Farao. Het is opvallend dat tijdens de plagen niets genoemd wordt over het volk. Zijn ze nog moedeloos? Of ongeduldig? Hoe reageren ze op de wonderlijke bescherming? Zeker tijdens deze plaag. Een zeer zware hagel treft het land, nadat Mozes de bekende vraag had gesteld. Een kort moment van genade is zichtbaar: vrees je het woord van God, zoek dekking. Dat was zeker nodig. Donder, hagel, vuur schiet naar de aarde. Alles in het land wordt neergeslagen, behalve in Gosen. Daar hagelde het niet. Indrukwekkend. Ook Farao lijkt te bewegen. Het is te erg, bid tot de HERE. Mozes weet dat de echte vrees ontbreekt.

Buiten de stad ‘breidt Mozes zijn handen uit’. Een pareltje als einde van de portie uit de Thora.

Ezechiël 28:25,26 De andere lezing, uit de Haftara, begint met een parel. “Als Ik het huis Israëls bijeenverzamel uit de natiën….Ik zal Mij ten aanschouwen van de volken aan hen als de Heilige betonen… en zij (Israël) zal wonen in hun land, …. Veilig wonen… boomgaarden planten… terwijl Ik gerichten voltrek aan allen uit hun omgeving die hen veracht hebben …..

Ezechiël profeteert vervolgens over Egypte. Het zal/zou nogmaals met plagen te maken krijgen. Lees je dit, dan zie je overeenkomsten met de eerdere plagen. Egypte wordt ook wel eens gezien als beeld van de volken…

Zit in het laatste vers, 21, een parel verborgen? “Te dien dage zal Ik voor je huis Israëls een hoorn uitspruiten…’. Een hoorn, beeld van kracht. Later zou Zacharia, de vader van Johannes de Doper profeteren ‘de HERE heeft ons een hoorn des heils opgericht’. (Lucas 1:69) De Messias, vol van kracht komt…

Romeinen 9:14-23 Het is met name vers 17b, 18 wat ons linkt met de Thora. “Tot Farao werd gezegd: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou toen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde”.

Hij wil Zijn kracht laten zien, het draait om Zijn Naam. In Openbaring 16 worden meerdere plagen genoemd. Te midden van die plagen: Zie, Ik kom als een dief. Zalig hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en zijn schaamte niet gezien worde’.

De Messias is verschenen en zal verschijnen. Plagen kwamen en komen. Hij wil ons voor deze tijd bekleden met heil, met kracht. Dat we in Zijn bescherming, in Gosen mogen wonen. 

Desertrose International
Touching heaven, changing earth